In de lezingencyclus van Peter Nissen over Dwarse Denkers komt als eerste aan bod:

Pelagius, voor ons vrij onbekend, maar hij heeft een belangrijke rol gespeeld in het theologisch discours. Hij was een tijdgenoot van de kerkvaders Augustinus en Hieronymus van Stridon. Pelagius, een vroege monnik uit Engeland of Schotland was in Rome actief vanaf 380.

Door toedoen van Keizer Constantijn was het Christendom sinds kort de officiële godsdienst van het Romeinse Rijk geworden en dat bracht een machtspositie met zich mee, maar ook een hang naar uniformiteit.

Het gedachtengoed van Pelagius strookte niet met de theologische opvattingen van Augustinus en dat leidde ertoe dat Pelagius als zo’n belangrijke ketter werd gezien dat vrije geesten in latere tijden, zoals Erasmus, Abelardus, Arminius en anderen werden beschuldigd van pelagianisme.

Waar ging het allemaal om? Augustinus geloofde dat de mens ten diepste zondig was en zonder de genade van God tot niets goeds in staat was. Hij was de ‘uitvinder’ van de erfzonde en de overtuiging dat de mens geen vrije wil heeft. Pelagius ging uit van de noodzaak van Gods genade, en dat juist door die genade de mens in staat is om het goede te kiezen, dus dat de mens wel een vrije wil heeft.

Pelagius zelf aan het woord: Het geloof alleen zal christenen niet redden, als zij geen werken van gerechtigheid hebben verricht. Beschouw jij een mens als christen als zijn brood nooit de honger van een medemens heeft gestild? ”

Lia Visser