DoRe-gemeente Nijmegen e.o.

Vrij in geloof, verbonden in gemeenschap
Meedoen!

Lekenpreekjes

Hieronder volgen enkele lekenpreekjes van de hand van Cecilia Reijnen, zoals die de laatste jaren als column in ons gemeenteblad Onderweg verschenen zijn.

Zorg voor het verhaal, febr. 2016

Momenteel ben ik een dikke pil aan het lezen over narratief pastoraat. Daarin staat centraal, zo lees ik, de zorg voor de verhalen van mensen in relatie tot het verhaal van God, zoals dat onder andere door de bijbel tot ons komt. Ik ben het gaan lezen uit interesse en omdat ik verwachtte dat ik er als maatschappelijk werker ook veel aan kan hebben, aan dat werken met verhalen. Maar in eerste instantie roept het lezen vooral vragen op over mijn eigen verhaal. Hoe stevig is dat eigenlijk verbonden met het verhaal van God?

Mijn eigen verhaal raakt namelijk zo gemakkelijk van  God los, realiseer ik mij. Ik kan weken, maanden achtereen leven zonder veel over God na te denken of mij zelfs maar bewust te zijn van zijn aanwezigheid. Periodes waarin God ver weg lijkt en ik volledig in beslag genomen word door mijn dagelijkse (over)leven.

Vreemd eigenlijk, dat je je band met God kunt ‘vergeten’, zelfs in tijden dat je Hem eigenlijk hard nodig hebt. Als ik niet zelf expliciet ruimte in mijn  leven maak voor God, dan kan Hij mij kennelijk zomaar ontglippen. Niets in onze huidige geseculariseerde samenleving doet nog aan Hem denken. Als ik mijn verhaal wil leven in verbinding met het verhaal van God zal ik zelf actief contact met dat Godsverhaal moeten zoeken, het is niet meer vanzelfsprekend voorhanden in ons dagelijkse leven. Op deze manier is het maar al te gemakkelijk om de verbinding te verliezen en dat zelfs niet eens op te merken.

Ik heb het inmiddels weer opgemerkt en ik zoek opnieuw de verbinding. Door vaker naar de kerk te gaan, door inspirerende lectuur te nuttigen. Door wat meer oog te hebben voor de noden van anderen en voor de schoonheid in het alledaagse. En dan is het alsof ik weer thuiskom bij God, als een verloren dochter. Mijn verhaal verbindt zich opnieuw met het zijne, woord voor woord. Ik word met open armen verwelkomd. En dan zie ik weer dat natúúrlijk God niet echt afwezig was. Hij was voortdurend in de buurt, maar liet mij vrij om mijn gang te gaan, wetend dat ik Hem vroeg of laat toch weer zou gaan missen.

God kan mij vrij laten zoals geen mens dat kan. Soms leidt dat tot eenzaamheid, dan slijt ik mijn dagen in een dorre woestijn waar geen God te bekennen valt, hoe ik ook zoek. Ook dan verliest mijn verhaal ogenschijnlijk de verbinding met Gods verhaal. Maar nooit laat God mij  helemaal los. Er blijven altijd lijntjes lopen tussen mijn verhaal en zijn verhaal.

Pasen, april 2016

Pasen: vernieuwing, wedergeboorte, nieuw leven, verrijzenis. Ik vind het allemaal prachtig en geniet elk voorjaar van het nieuwe elan waarmee de natuur herleeft en van het licht dat weer overwint, ook in mij.

Maar Pasen is ook: erfzonde, kruisdood, zoenoffer. Dat is voor mij de weerbarstige kant van Pasen. De leer van de verzoening heb ik nooit kunnen accepteren. Als een kind van mijn tijd heb ik er de, denk ik, bekende bezwaren tegen: wat moet ik met een God die zo’n gruwelijk offer nodig heeft als Jezus’ kruisdood en: ik sta voor mijn daden en wil niet dat iemand anders moet boeten voor zonden die ik begaan heb.

Zonde betekent letterlijk ‘je doel missen’, heb ik geleerd. Zonde is: niet het beste uit jezelf en je leven halen zoals God het bedoeld heeft. Dat is dus iets anders dan simpel regels of wetten overtreden. Als je het begrip zonde op deze manier opvat spreekt het bijna voor zich dat iedereen wel eens zondigt. Het valt immers niet mee om altijd te handelen zoals God het bedoeld heeft. Om zelfs maar te weten hoe God het bedoeld heeft.

Een begrip als erfzonde kan ik dan ook wel een plaats geven in mijn geloof: we zijn allemaal vanaf het begin behept met een zekere zwakte, waardoor we soms, of vaak, ons doel missen. We moeten allemaal vanaf onze geboorte zoeken naar onze bestemming, naar hoe God het met ons bedoeld heeft, en daarbij slaan we vaak de plank mis.

Maar waarom heeft God een offer nodig voordat Hij ons dat kan vergeven? En dan nog wel zo’n uiterst wreed offer?

Gelukkig heeft in 1998 de theoloog Cees den Heyer een boekje open gedaan over de verzoeningsleer. In zijn boek ‘Verzoening’ betoogt hij dat die leer niet bijbels gefundeerd is, maar uit een latere periode van het vroege christendom stamt. Jezus heeft het ons niet geleerd. Daar ben ik blij mee, want zo kan ik de hele ergernis van die verzoeningsleer mooi afdoen als een menselijk verzinsel dat weinig over God zegt en alles over de mens. God heeft geen offer nodig om tot vergeving te komen, wij zijn het zelf die moeite hebben met vergeving om niet en projecteren dat op God.

Maar ja, daarmee ben ik er niet. Want als Jezus niet gestorven is voor onze zonden, wat is dan wel de betekenis van zijn kruisdood? Heeft die wel betekenis? Of was Jezus inderdaad alleen maar een mislukte profeet, zoals sommigen beweren?

Ik geloof niet dat Jezus een mislukte profeet was. Hij had een boodschap en zag het als zijn van God gegeven doel in zijn leven die te verkondigen. Daaraan bleef hij trouw tot in het uiterste. Hij had Jeruzalem kunnen mijden, hij had überhaupt zijn mond kunnen houden toen het gevaarlijk werd. Maar dat deed hij niet, want dat was niet wat hij van God begrepen had. God heeft zijn dood niet gewild. En als om dat te laten zien gaf Hij ons Jezus weer terug. En dan zijn we weer bij het Paasfeest als feest van nieuw begin.

Zinloos geweld, juni 2016

Mijn twee katten, waar ik erg gek op ben, stellen mij zo nu en dan voor een lastig dilemma. Komt er eentje thuis met een nog levend vogeltje in zijn bek, of een muis. Ik heb er geen moeite mee dat mijn katten jagen en vogeltjes doden, maar dat laten leven en ermee spelen, het lijden van zo’n prooidier, dat kan ik niet verdragen. Laat ze hun prooi gewoon meteen dood maken.

Eigenlijk vind ik dat ik op zulke momenten moet ingrijpen en de prooi uit zijn lijden moet verlossen, maar dat durf ik nooit. Ik kan het niet over mijn  hart verkrijgen om een dier dood te maken, zelfs niet als het de meest humane oplossing is.

Onlangs kwam Tinker, de grootste van mijn twee lieverds, thuis met een nog levende duif in zijn bek. Het arme dier was ten dode opgeschreven, maar Tinker maakte zijn werk niet eens af, hij verloor zijn belangstelling toen de duif niet meer bewoog en liet mij achter met de nog steeds levende duif en mijn dilemma.

Kijk, en dan vind ik de natuur helemaal niet mooi. In tegendeel. De natuur is wreed, vol zinloos geweld en nodeloos lijden. Natuurfilms laten  het volop zien, maar ook in je eigen achtertuin kun je getuige zijn van zinloos leed. En dan zijn er mensen die geloven dat het allemaal zó mooi in elkaar steekt, dat er een intelligente schepper aan het werk moet zijn. Nou, die zou ik dan wel eens ter verantwoording willen roepen. Had die schepper het lijden niet achterwege kunnen laten? Had hij geen leedvrije manieren kunnen bedenken om de natuur in evenwicht te houden? Dan zou zij vast ook  niet zo gecompliceerd hoeven te zijn.

Het is de aloude vraag naar de zin van het lijden, van het kwaad. Harold Kushner, een joodse rabbijn die in 1981 een boekje schreef over ‘Als het kwaad goede mensen treft’, stelt dat we, als we het lijden in de wereld willen begrijpen, het geloof in Gods almacht moeten opgeven. God wil het lijden van (goede) mensen niet, maar kan het ook niet voorkomen. God lijdt met ons mee. Leed komt onder andere voort uit de natuurwetten, volgens welke Hij de wereld geschapen heeft, en waarin Hij niet kan ingrijpen. Niet langer het wonder van de uitzondering, maar het wonder van de tot in detail geordende natuur geldt voor ons als bewijs van Gods bestaan. Maar God kan die eenmaal aangebrachte ordening niet doorbreken, ook niet als de gevolgen van natuurwetten soms verkeerd uitpakken, zo stelt Kushner.

En die natuurwetten zijn niet mooi, zou ik daar verbolgen aan toe willen voegen. Ik heb de duif uit zijn lijden verlost, voor het eerst van mijn leven heb ik mij niet afgewend. Maar des te meer vind ik de natuur wreed en wil ik wel eens weten of dat niet anders had gekund.

Blinde vlekken, aug. 2016

Onlangs stuitte ik op een verhaal in het evangelie van Lucas waar ik op het eerste gezicht niets van begreep. Het was tijdens een brainstormsessie over die tekst en we snapten geen van allen goed wat Jezus hier met zijn woorden bedoelde.

Zoiets triggert mij en thuis nam ik de tekst nog eens ter hand. Sloeg er een andere Bijbelvertaling op na. Snuffelde wat op internet. Het hielp, maar een echt bevredigende uitleg kon ik toch niet vinden. En dan rijst bij mij al snel de vraag: kán ik het niet begrijpen of wíl ik het niet? Ligt het aan de onduidelijkheid van de tekst of mijn gebrekkige toerusting, of raakt die tekst aan een blinde vlek van mij? En wellicht ook van anderen, want ik ben duidelijk niet de enige die het er moeilijk mee heeft.

Blinde vlekken. Ga er maar vanuit dat je ze altijd hebt. Iedereen, altijd! Bij de één zijn ze groot, bij de ander minder groot, maar niemand heeft het licht volledig gezien dan alleen God.

Je kunt een blinde vlek hebben voor mensen en zaken om je heen, maar ook voor jezelf. Delen van jezelf die je niet kent, terwijl ze vaak wel zichtbaar zijn voor anderen. In die laatste betekenis heb ik ‘blinde vlekken’ meestal opgevat. Ik had vroeger veel minder zelfvertrouwen dan nu, en was gedeeltelijk blind voor mijn talenten en goede eigenschappen, die anderen ondertussen wel zagen. Er zijn ook mensen die het maar al te goed getroffen hebben met zichzelf en vooral blind zijn voor hun minder aantrekkelijke kanten. Maar meestal valt onze blinde vlek over een mix van goede en minder goede eigenschappen.

‘Ken uzelf’ zei het orakel van Delphi tegen Socrates, maar ik denk dat je jezelf nooit helemaal kunt kennen. Een deel van jezelf blijft verborgen in je blinde vlek. Dat hoeft niet altijd erg te zijn. Vaak is een zekere ongekunsteldheid in iemands optreden, wat hem of haar nu juist zo innemend maakt, deel van diens blinde vlek voor zichzelf. Kreeg hij of zij daar zicht op, dan was het ongekunstelde er vanaf! Soms is een blinde vlek ook te pijnlijk om onder ogen te zien. De blinde vlek als beschermer.

Maar wat ik ook in mijn blinde vlek verberg voor mijzelf, God ziet het. God ziet alles en dat is niet erg want het is veilig bij Hem. Ik ben veilig bij Hem. Veiliger dan bij wie ook.

Nergens wordt dat naar mijn idee zo mooi en aangrijpend uitgedrukt als in psalm 139: ‘Wonderlijk zoals u mij kent, het gaat mijn begrip te boven’. Ik zou het liefst de hele psalm hier citeren, maar dat kan niet. Mij bemoedigt deze psalm als ik het moeilijk heb, misschien u ook.

Volgeling of leerling, okt. 2016

Het jaarthema ‘Gidsen en goeroes’ is bijna passé en dan kom ik deze prachtige uitspraak tegen in de nieuwste Doopsgezind NL: “Lang ben ik alleen maar een volgeling geweest die, als kind van gereformeerde ouders, geloofde wat mij werd voorgezegd. Nu ben ik met overtuiging een leerling die wil weten wat het betekent om te geloven in het leven en in de God die leven geeft.”

Wat een mooie samenvatting van een waarschijnlijk lange leerweg. Volgeling zijn stellen tegenover leerling zijn. Van gidsen en goeroes volgen naar leerling van God en van het leven zijn, zonder de wijsheid van gidsen en goeroes helemaal overboord te zetten. Hij heeft de kerk immers niet verlaten!

Ik stel me voor dat Jezus dezelfde weg van volgeling naar leerling is gegaan. Als kind en jongeman leerde hij de leefregels van de Thora kennen en volgde hij wat hem in de synagoge werd voorgezegd. Hij ging echter steeds meer zelf nadenken over de leefregels en kwam tot de conclusie dat ze allemaal particuliere uitwerkingen waren van slechts twee geboden: “Heb de Heer, uw God, lief met  heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het eerste en grootste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf.” (Mt 22, 37-39).

Van hieraf is hij geen volgeling meer, maar een leerling. En hij zet wat hij door te volgen geleerd heeft niet overboord, maar geeft er geleidelijk aan een eigen interpretatie aan: hij legt de Thora niet langer naar de letter uit, maar naar de geest. Hij leert van God en van het leven wat de Thora eigenlijk bedoelt te zeggen. Het is in zekere zin nieuwe wijn in oude zakken, en inderdaad: de oude zakken scheuren en het christendom ontstaat. Maar dat is pas veel later.

Jezus gaat zijn nieuwe visie verkondigen en krijgt  medestanders. Volgelingen of leerlingen? Voor iemand die volgeling wil zijn geeft Jezus niet veel aanwijzingen om op te volgen. Hij geeft twee leefregels en laat het aan de ander over om die zelf een concrete invulling te geven, ieder dag opnieuw. Op andere plekken in de bijbel geeft hij wel voorbeelden van hoe je die leefregel zou kunnen uitwerken, bijvoorbeeld in de Bergrede en in  de vele parabels die hij vertelt. Maar nergens schrijft hij dwingend iets anders voor dan ‘heb God lief en de naaste als jezelf’.

Voor volgelingen heeft Jezus eigenlijk helemaal geen ruimte. Hij dwingt met zijn twee geboden om zélf na te denken en zélf uit te maken wat het betekent om daarnaar te leven. Om je telkens weer af te vragen: handel ik nu naar de geest of naar de letter van de wet? Wat vraagt deze situatie van mij als ik naar de geest van de wet wil leven?

Het lijkt mij haaks op die ene les van Jezus staan om gelovig leren en handelen te willen vangen in dogma’s. Dat zijn slechts oude zakken die het misschien nog een tijdje houden, maar uiteindelijk zullen knappen omdat de wijn steeds vernieuwd wordt. Steeds weer vraagt Jezus naar de geest van de wet.

Gevelsteen boven de ingang van de kerk: Zie, ik maak alle dingen nieuw.